HOOFDSTUK    4

                                                GEZICHTEN VAN DE HEMEL

Uit de Bijbel valt op te maken, dat de "derde Hemel" de hemel van de verlosten is. Het toekomstig Vaderland van de verlosten bevindt zich in de derde hemel. Het wordt de "heilige Stad" genoemd. De naam van de stad luidt: "Hei Nieuwe Jeruzalem". Met dat "Nieuwe Jeruzalem" wordt niet iets figuurlijks bedoeld en is ook geen kunstig bedenksel, dat de Heer in menselijke woorden heeft ver­pakt om ons een verkeerd beeld van iets te geven dat niet bestaat. Nee, de Bijbel zegt, dat Jeruzalem een stad is, waarvan God zelf de ontwerper en bouwmeester is (Hebr.11:10).

De hemelse stad ligt in het vierkant, 2160 km. naar al­le vier zijden, omgeven door een muur van 200 voet hoog (±60 mtr.). En de fundamenten van die muur waren ge­bouwd met twaalf soorten edelstenen - de mooiste die wij kennen. De muur zelf was van jaspis (oude vertaling), dat een wonderbaar zacht licht verspreidt. Twaalf poorten ge­ven toegang tot de stad, waarvan de straten van blinkend goud zijn.

In deze Stad bevindt zich het Paradijs, staan de wonin­gen van de verlosten, is het verblijf van de engelen en de troon van God.

Waarom toch zou het Nieuw Jeruzalem niet een echte stad zijn met straten van goud en muren van kostbaar edelgesteente ? Zou God soms bij de schepping van de we­reld al Zijn bouwmateriaal zo hebben verbruikt, dat Hij niets meer beschikbaar had voor Zijn hemel ? Hij die een wereld kon maken, zou Hij achter de sterren ook geen stad in de hemel kunnen bouwen. Als onze aarde, die

onder de vloek ligt, hier en daar enkele goudaders, en hier en daar onder de scherven enkele fonkelende edelstenen te voorschijn kan brengen, dan herinneren deze alleen maar aan de werkelijkheid en echtheid van de elementen daar boven. Ons goud en onze edelstenen zijn zowel ten  aanzien van het aantal alsook met betrekking tot hun aard slechts schaduwbeelden wan de echte bestanddelen van de hemel.

Hier is alles enkel schaduw. Toen deze schepping viel, werd ze vruchteloos en nietig (Rom.8:20). Het goud, dat door ons zo hoog getaxeerd is, de edelstenen,. waar wij over roemen, de steden en woningen, die wij hier bouwen, zijn slechts kopieën uit de Stad,die spoedig zal neerdalen.

De kinderen van Adullam raakten in geestvervoering en zagen de Stad van God. Hoe zij die konden zien weet ik niet. Hoe Abraham hem zag, weet ik ook niet. Hoe Paulus werd weggevoerd naar het Paradijs, in het lichaam of buiten het lichaam, weet ik ook niet. Het ging niet op de natuurlijke wijze. Wij behoeven nu het "Hoe" ook nog niet te weten. Wat wij weten is, dat het werkelijkheid is. Johannes zag de Stad. De Heer droeg hem op om dat wat hij gezien had op te schrijven en het aan de gemeenten te sturen.

In de Geest waren de kinderen van Adullam vaak weggevoerd naar deze Stad, niet in een droomgezicht,, maar in werkelijkheid. Hun bezoeken waren zo'n reali­teit, dat zij zelf van mening waren, dat hun zielen het lichaam verlieten om hemelwaarts te gaan; of dat zij op onverklaarbare wijze met zowel ziel als lichaam daar heen gingen , net zoals ze hier op aarde naar een ver land zouden reizen. Merkwaardigerwijs reageerden hun lichamen hier op aarde, als zij daar vruchten aten en er enige van in hun zakken stopten om ze voor "Va­der en Moeder" (Pastor Baker en zijn vrouw) mee naar de aarde te nemen.

Ook behielden zij in de hemel het bewustzijn, dat zij daar slechts op bezoek waren en weer naar de aarde moesten terugkeren. Na hun terugkeer, wanneer de Geest van de vervoering hen langzaam verliet.en zij zich weer in het Adullam-huis bevonden, zochten zij ij­verig in hun zakken naar de vruchten die zij er in de he­mel hadden ingestopt om ons er mee te verblijden en te verrassen. Zij waren niet weinig verbaasd en ontsteld, wanneer zij niets van wat zij hadden meegenomen in

31

hun kleren vonden, en konden het helemaal niet begrijpen, dat zij ook niet met hun lichamen In de hemel zou­den zijn geweest. Zij waren er heilig van overtuigd, dat zij hun zakken volgestopt hadden.

Het lopen op de straten van Jeruzalem was voor hen een even grote werkelijkheid, als wanneer zij in een of andere Chinese stad op straat zouden hebben gelopen. Toen ik op zekere dag  met enkele jongens bij stralende zonneschijn door de straten van de stad liep, vroeg ik hen, of de gezichten die zij hadden gekregen ook zo reëel en helder waren geweest als wat zij nu zagen. "Net zo werkelijk ", zeiden ze, "maar nog veel helderder door het hemelse licht, de witte klederen en de grote reinheid."

Wanneer zij in een dergelijke geestvervoering waren, waren zij zich meestal helemaal  niet   bewust van alles wat er om hen was. In veel  gevallen spraken zij,   wan­neer zij in de Geest in de hemel waren, luid  en duide­lijk uit   wat zij zagen, of sprak de ččn met de ander over dat wat zij zagen, zodat wij allen het konden horen. Daar hadden ook hun lichamen deel aan: de handen toon­den de voorwerpen, de voeten drukten het lopen uit, en het gezicht vertoonde vreugde, verwondering of ernst.

WEGGEVOERD TOT IN DE DERDE HEMEL

De kinderen van Adullam verzekerden, dat zij opge­trokken waren geweest tot in de derde hemel. Toen zij door de eerste hemel gingen voelden zij de lucht ervan langs hun gezichten strijken. Nadat zij door de tweede hemel waren gegaan keken zij naar beneden in een ster­renzee, precies zo als men op de top van een berg staat en op een helder verlichte stad neerkijkt. Via de ster­renhemel kwamen zij in de derde hemel en bij het hemels Jeruzalem, waarvan zij het licht al op grote afstand za­gen. Toen zij dichterbij kwamen, straalde het wonderba­re licht van de muren van jaspis  hen tegen. Het funda­ment, zeiden ze, had alle kleuren van de regenboog, maar straalde nog veel meer.

Deze Stad in de hemel werd de kinderen getoond als

32


drie steden in nčč: de nčč boven de ander, de grootste als de onderste, en de kleinste als de bovenste, pyramide vormig boven elkaar gebouwd. Er zijn zelfs enkele Bijbeluitleggers die de beschrijving van Johannes zo wil­len zien, als was de Stad niet in een kubus-vorm ge­bouwd, doch als een pyramide. Maar onze jongens wisten niets van een dergelijke uitleg, ja, ik zelf had er tot dat moment nooit van gehoord, dat het Nieuwe Jeruzalem uit drie steden in ččn bestond. De Bijbel zegt niets over haar structuur achter de muur.

(Uit berichten, die afkomstig zijn van anderen die op­getrokken waren geweest, blijkt, dat ook het getal ze­ven in de structuur voorkomt. Kennelijk zijn er reeksen van terrassen en reeksen van bouwsels. Een ieder geeft toe, dat hij alleen maar een klein stukje van de hele he­mel heeft gezien.)

Eén van onze kleine jongens werd door de Heer als spreekbuis gebruikt. Toen hij al lovend en prijzend aan Zijn voeten lag, zei de Heer: "Ik heb de hemel gemaakt met voldoende ruimte voor alle mensen. Ik heb het Nieuwe Jeruzalem in drie grote steden gebouwd, de ččn boven de ander, en Mijn troon bevindt zich in de boven­ste stad."

Omdat tijd en afstand daar anders zijn dan hier is een dergelijke bouw daar voor God noch onmogelijk noch onpraktisch. Zijn er niet drie hemelen ? Had de Ark van Noach niet drie verdiepingen, waar God de hele schepping bewaarde? God zelf is drie-enig  Waarom toch zou de Koning niet het heelal van bovenuit bestu­ren en de steen, die de bouwlieden verworpen hebben en die tot hoeksteen geworden is, niet ook sluitsteen zijn van de pyramide van de gehele schepping ?

DOOR  DE POORTEN IN  DE STAD

Onze jongens werden door de paarlenpoorten de Stad met de gouden straten binnengevoerd. Engelen in witte klederen hielden de wacht bij de poorten en verwelkom­den hen. Zij werden niet als bedelaars ontvangen. Zij, die vroeger op aarde tot de uitgestotenen behoorden,

33

 

werden hier door het engelenheer als koningen begroet. Heeft onze Redder Jezus Christus niet de zwaksten en ootmoedigsten van Zijn kinderen beloofd, dat zij voor eeuwig met Hem als koningen zouden regeren?

Door de poorten in de Stad! Van de aarde in de he­mel! Uit de sterfelijkheid in de onsterfelijkheid! Uit de dood in het leven! Heel het oude leven eenmaal achter­gelaten! Het hele nieuwe leven voor ons en over ons! Binnen de paarlenpoorten! Engelen, overal engelen! Sprekende engelen, zingende engelen, engelen vol vreug­de, spelend op harpen, blazend op bazuinen, en dansende engelen, prijzend hun Koning! Zulke taferelen heeft geen sterveling ooit gezien; zulke stromen van innerlijke vreugde heeft nog nooit iemand beleefd, tenzij hij is "vervuld met de Heilige Geest", met het eeuwige leven, met het hemelse leven uit God, met de hemelse reali­teit.

De kinderen klapten van louter verrukking in de han­den ! Zij juichten van vreugde. Soms rolden zij over de grond en lachten spontaan, dan weer waren zij zo geluk­kig dat zij rondsprongen terwijl hun gezichten zo straal­den, dat het was alsof de heerlijkheid van de Stad op ons kwam. In de hele Stad zagen zij niets verdrietigs, nie­mand die treurig of depressief was, geen liederen in mi­neur, maar een Stad vol vreugde "vreugde in de Heilige Geest", onuitsprekelijke vreugde van grote heerlijkheid.

TE  MIDDEN  VAN  ONTELBARE ENGELEN

Een maal in de Stad werd het de kinderen duidelijk wat het betekent als de Bijbel zegt: "Maar gij zijt gena­derd tot de Stad van de levende God, het hemelse Jeru­zalem, en tot tienduizendtallen van engelen." (Hebr.12:22) De vriendelijke hemelse gestalten stonden niet alleen bij iedere paarlenpoort, maar door de hele Stad werden zij van alle kanten door hen gegroet en verwelkomd. Zij stonden ook altijd klaar om hen van de ene plaats naar de andere te begeleiden; zij wandelden en spraken met hen; en zij legden hen alles uit wat zij niet begrepen, precies zo, als zij het eens bij Johannes hadden gedaan.

 

 

                                                     34
Het gebeurde ook wel, dat de engelen de kinderen har­pen gaven en hen onderwezen hoe zij hun gezang daar­mee konden begeleiden en wel op de wijze als zij het zelf zouden doen. Ook leerden zij hen op de bazuin te blazen.

DE   MUZIEK EN  DE  GESPREKSTAAL IN DE  HEMEL

Soms zagen wij de kinderen allemaal met gesloten ogen opstaan en in rijen in de kamer dansen waar zij zich bevonden. Later kwamen wij er achter, dat zij dat ook in de hemel hadden gedaan en dat zij geprobeerd hadden maat te houden met het ritme van de muziek van de engelen. Wanneer wij hun bewegingen gade sloe­gen en zagen hoe zij af en toe als het ware een trompet aan de mond zetten of de bewegingen van een harpspeler maakten, hoorden wij later, dat zij deel hadden uitge­maakt van het hemelse orkest, om de hemelse Koning hun hulde te betuigen.

Wijzelf konden het gezang van de engelen niet horen, maar vaak hoorden wij de kinderen hemelse melodieën zingen. Het gebeurde dagelijks dat men kon zien hoe ččn of meer kinderen op hun dennegroene matten lagen en de bewegingen maakten van iemand die een instrument bespeelt. Kwam men dichterbij, dan kon men hen een nieuw lied horen zingen, dat wij hen nooit hadden ge­leerd. En wanneer wij nog meer naderbij kwamen, hoor­den wij dat de woorden al net zo onbekend waren als de melodie. De zangers hadden zich bij het hemelse koor gevoegd. Zij hadden het lied van de engelen geleerd. De woorden van het lied moeten die van de engelentaal zijn geweest. O m de kinderen op deze wijze in de Geest te zien weggevoerd, was een aanblik om nooit te vergeten.

Soms waren verschillende van hen op een bijzondere plaats in de hemelse Stad of ook wel in het Paradijs zo in een spel verdiept of in een gezang, zoals wij dat tevo­ren nog nooit hadden meegemaakt. Terwijl zij met geslo­ten ogen geheel onder het beslag waren van de Heilige Geest, waren er drie of vier die los kwamen van zich­zelf en hun omgeving en opgingen in de hemelse dingen.

35

 

Als wij vlak bij hen stonden, konden wij horen hoe zij met elkaar overlegden wie de harp en wie de trompet zou nemen en wie zingen zou. Toen allen klaar waren be­gon de hemelse muziek. Hij die de trompet blies strekte zijn armen uit en blies zijn wangen vol lucht, alsof hij werkelijk een trompet voor zich had. Degene die de harp bespeelde liet zijn vingers over de snaren glijden, alsof hij werkelijk een harp bij zich had, en de zanger zette het lied in. Op zulke momenten zongen zij altijd in een taal, die wij niet konden verstaan, uitgezonderd als zij met elkaar afspraken om een lied te zingen dat zij "be­neden op aarde" geleerd hadden. In dat geval deden zij het altijd in het Chinees.

JEZUS ZIEN  EN   AANBIDDEN

Maar van alle hemelse vreugde was het allerheer­lijkst "Jezus te ontmoeten", Hem te aanbidden die hen gekocht had met Zijn bloed.

Nadat de kinderen door de poorten het hemelse Jeru­zalem waren binnengegaan, werden zij al spoedig door engelen naar Jezus gebracht om Hem te zien. Dan hoor­den wij hen tegen elkaar zeggen: "Wij gaan naar Jezus toe !" En aan de uitdrukking op de gezichten bemerkten wij, hoe zij voor de troon van Jezus kwamen. Toen zij zich in Zijn verheven tegenwoordigheid bevonden, ston­den zij daar eerbiedig met hun - voor ons weliswaar ge­sloten - ogen op Hem gericht en keken vol liefde en ge­negenheid op naar de Heer der schepping, hun Redder. Allereerst dankten zij Hem, vouwden hun handen, bogen en aanbaden Hem. Daarna vielen zij op hun aangezicht en aanbaden Hem "in Geest en Waarheid", hetgeen weini­gen begrijpen, tenzij men de doop met de Heilige Geest heeft ontvangen.

DE TROON VAN GOD EN DE TROON VAN CHRISTUS

De kinderen zagen de troon van   Christus zoals Johannes die zag, toen hij  "In de Geest"    was.   "En   zie,   er  stond

36


een troon in de hemel en Iemand was op die troon geze­ten. En die er op gezeten was, was van aanzien de steen jaspis en sardius gelijk; en een regenboog was rondom de troon, in het aanzien de steen smaragd gelijk. En rond­om de troon waren vier en twintig tronen; en op de tro­nen zag ik de vier en twintig ouderlingen zitten, bekleed met witte klederen, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. En van de troon gingen bliksemstralen, stem­men en donderslagen uit; en zeven vurige fakkels brand -den voor de troon; dit zijn de zeven Geesten Gods." (Openb.4:3-6; zie ook de Oude Vert.)

JEZUS GAAT IN  DE  HEMEL ALLES TE BOVEN

Ondanks de grote verrassing van de kinderen over de schoonheid van de Stad, niettegenstaande de vele genoe­gens die zij in het Paradijs mochten genieten, ondanks de vreugde over de omgang met de vriendelijke engelen, werd Jezus nooit vergeten. In alle gesprekken werd Zijn Naam steeds weer genoemd; bij al hun uitingen van vreugde werd Hem lof toegebracht; daar boven wordt Hij door allen en overal hoogvereerd.

WONINGEN LANGS DE STRATEN  VAN  GOUD

Langs beide kanten van de gouden straten stonden hui­zen naast elkaar, voor iedere persoon een woning, met een deur aan de straatzijde. Voor het huis en boven de ingang waren kostbare parels en wel van zo'n stralende schoonheid, dat de hele woning vervuld was van licht en heerlijkheid. Boven de ingang stond de naam van de be­woner. Engelen lieten de kinderen enkele woningen zien. Alle woningen hadden dezelfde meubilering: een mooie gouden tafel, waarop een Bijbel lag, een bloemenvaas, een pen om te schrijven en een boek; naast de tafel stond een gouden stoel Er stond ook een gouden kist en een bed in; en er was een kroon van juwelen, een gouden harp en een trompet. De wanden zagen er uit alsof ze van goud waren, en de Bijbel was eveneens in goud gevat en samengesteld uit papier, dat onze jongens nog nooit

37

op aarde hadden gezien. De Bijbel straalde zo'n licht en heerlijkheid uit, dat het vertrek verder geen licht nodig had.

Tegen onze kleine bezoekers werd gezegd, dat als zij hun levensloop op aarde volbracht zouden hebben en na het sterven naar hier zouden worden overgeplaatst, ieder van hen dan naar het Paradijs kon gaan en daar voor de vaas naar keuze het bouquet bloemen kon plukken.

Als de kinderen "in de Geest" de hemel bezochten, mochten zij ter afwisseling van alles v/at zij daar geno­ten naar hun hemelse woningen gaan om daar in hun Bij­bel te lezen of te oefenen op hun instrumenten. Soms namen zij hun instrumenten ook mee op straat of naar het Paradijs en sloten zich aan bij de verlosten, van wie zij daar velen ontmoetten, om met hen de lofliederen te zingen.

Tijdens al deze tochten door de hemelse oorden waren zij weliswaar verloren en afwezig voor alles wat er op aarde om hen heen gebeurde, maar zich er toch steeds van bewust, dat hun bezoek daar slechts tijdelijk was. Hoe klein ze ook waren, toch wisten zij heel goed wat het doel was van deze gezichten, namelijk dat zij zouden zien, wat hen na de dood te wachten stond, opdat zij het ook aan anderen zouden kunnen doorgeven. Zowel van de engelen als van de Heer zelf kregen zij te horen, dat als zij het geloof behielden en gehoorzaam zouden blijven, dit alles hun eigendom zou worden. Zij wisten niet al­leen dat zij weer naar de aarde moesten terugkeren, maar veelal ook, wanneer zij weer moesten gaan.

Nadat hij de heerlijkheden van de hemel had gezien en genoten, hing ččn van de jongens zijn kroon en trom­pet op in de woning, opdat hij ze daar na zijn overlijden zou kunnen terugvinden. Hij kwam toen terug naar de. aarde, en de overweldigende kracht van de Heilige Geest verliet hem. Toen hij zijn ogen open deed, bevond hij zich in ons Adullam-huis en vertelde van de wonderen van de hemel.

Wie zou het in zijn hoofd kunnen halen te veronderstellen, dat de Heer deze jongens eerst redde, hen doopte met de Heilige Geest, en hen dan zou bedriegen

38


met een misleidend droombeeld over de hemel ? Onmoge­lijk ! Het kan zijn, dat een aardse vader zijn kinderen met valse hoop en valse beloften bedriegt. Maar de he­melse Vader niet ! Hij laat Zijn kinderen zien wat Hij voor hen heeft bereid ( 1 Cor.2:10 ) en belooft hen dan, dat Hij ze deze dingen zal geven (Openb.3:21), en Hij geeft hen dat dan ook. (Lukas 11:9-13)

Toen deze kinderen de woningen van hun Adullam vrien­den zagen, klapten zij in de handen en lachten en juich­ten van vreugde, terwijl zij elk afzonderlijk bij name noemden.  ččn van hen liep in de Geest door de straten van het Nieuwe Jeruzalem en las de namen die op de woningen stonden.

ZIJ ONTMOETEN   DEGENEN  VAN  ONS ADULLAM-HUIS DIE  GESTORVEN   WAREN

Op de eerste dag, toen de Heilige Geest op onze jon­gens viel en enigen van hen werden opgetrokken in de he­mel, waren temidden van de engelen die hen begroetten, ook twee van onze Adullam-jongens, die het jaar daarvoor gestorven waren, nadat zij waren gered. Deze twee, ge­naamd "Hsi Dien Fu" en "Djang Hsing" hadden nog een klein meisje bij zich, dat al vier jaar eerder gestorven was, hetgeen onze jongens reeds vergeten waren.

Dezen nu, die van onze kinderen gestorven waren en ons waren voorgegaan, leidden degenen die nu in Geest­vervoering daar waren, rond, en toonden hen de wonderen van de hemel Zij brachten hen allereerst naar Jezus, om Hem te zien, Hem te aanbidden en Hem te danken. Daar­na lieten zij hen hun woningen zien of andere heerlijkhe­den van de Stad of brachten hen buiten in het Paradijs om te spelen.

Allen kregen witte kleren, ook de engelen droegen smetteloos witte klederen, zonder naad. De engelen had­den allen vleugels. Die vleugels vormden een duidelijk on­derscheid bij de engelen.

Later zagen nog meer jongens deze gestorvenen van Adullam in de hemel, welke volgens de jongens niet zo

39        

 

heel ver weg scheen te liggen, want de reis duurde maar kort. Met gesloten ogen en met van vreugde stralende ge­zichten klapten zij in de handen en juichten de jongens toe die vorig jaar waren heengegaan, en die hen riepen met hen mee te gaan, om hun woningen te zien of om nieuwe tonelen bij de engelen mee te maken of een nieu­we ontdekking in de tuin van het Paradijs te beleven of op de harpen te spelen en lofliederen voor of over Jezus te zingen. Deze kinderen, die een jaar geleden van ons waren heengegaan, werden zo vaak in de hemel gezien, en hun namen zo dikwijls uitgeroepen, dat wij de indruk kregen dat zij nog in ons midden waren, maar dat wij ze alleen niet konden zien. De hemel was zo vlakbij, zo waarachtig, zo wonderbaar en zo werkelijk, dat als in die dagen nčč van onze kinderen zou zijn gestorven, de anderen vanwege dit voorrecht verzocht zouden zijn door af­gunst.

De weg van de hemel naar de dood leek zo kort te zijn en de komst van de Heer zo nabij, dat wij in nčč keer be­grepen, waarom de kinderen zo gemakkelijk hun bezit ver­kochten en zo moedig vervolging en dood onder ogen kon­den zien.

Ons Koninkrijk is niet van   deze   wereld.    Ons   Burger­schap is in de Hemel, waaruit wij ook onze Redder,Jezus Christus verwachten. Ons leven, ons werk, onze dienst en onze moeite is maar kort,   en   dat  alles zal ons brengen naar de overzijde, naar de echte Stad, naar het ware on­wankelbare Koninkrijk.

                              Hoofdstuk  3       Index    Hoofdstuk  5

                                40