HOOFDSTUK    11
                                     

                       HET VADERLAND

Wanneer wij terugzien op alles, wat wij hebben ge­schreven, is het voldoende duidelijk, dat de Heer elk mid­del heeft gebruikt om ons te bevestigen, dat de Bijbel "het ware profetische Woord" is, waaraan wij aandacht moeten schenken.

Het is ons ook duidelijk genoeg getoond, dat alles er op gericht was om ons door middel van de vroegere profetie­ën en de gezichten en voorzeggingen die wij nu hebben ontvangen, de zekerheid te geven: "Achter het voorhang­sel is een wonderbaar Vaderland". Geen "vreemdeling", geen "pelgrim" vindt hier op aarde bevrediging. De be­vrediging komt aan het eind van de reis.

Wanneer de reis over moeilijke wegen en lastige ber­gen voert, kan het voorkomen dat de pelgrim afgemat raakt door zijn zware lasten en nauwelijks het zingen van de vogels hoort, nauwelijks iets merkt van de verfrissen­de geur van de bloemen aan de kant van de weg, of blij is met het gezelschap van zijn medepelgrim. Maar zo zal het eind van de weg niet zijn.

Wanneer de pelgrims in het Vaderland komen worden gebogen en vermoeide lichamen vernieuwd door een bad in de rivier des levens. "En een oogwenk, in een mo­ment, worden wij veranderd. " Dit vergankelijke moet on­vergankelijkheid aandoen. De ouderdom zal niet meer be­staan. Er zijn geen oude mensen in de hemel, geen strom­pelende voetstappen van bejaarden. N ergens in de stralen­de stad zullen de mensen hinder hebben van slechte ogen, dove oren of scheefgegroeide ledematen.

Het is een stad, waar het nooit donker wordt; de stad heeft de zon des daags niet nodig, of de maan des nachts. De gouden straten behoeven niet te worden ge­veegd. De met juwelen versierde woningen behoeven geen reparatie. Er zijn daar geen aankondigingen van dok­terspraktijken, geen zieken of lijdende; er bestaat kom­mer noch zorg; het is een stad zonder krassen op de gouden

-      89 –

 

deuren, zonder lijkstoet op de gouden straten; een stad waar zwaarmoedigheid en geklaag zijn opgehouden; een stad waar de dood verslonden is door leven en wel door overvloedig leven; een stad van zuivere ongestoorde vreugde.

Het is een land zonder wolken, waar nooit onweer voor­komt. In dit gelukkige land is geen broodnijd, geen strijd om het levensonderhoud. Er bestaan geen zelfzuchtige ma­nipulaties; geen zelfzuchtige, liefdeloze achterdocht. Nie­mand maakt zich daarom zorgen wat hij zal eten of waar­mee hij zich zal kleden. De      witte     klederen     scheuren nooit. De bomen met de Levensvruchten      worden      nooit kaal.

Het water des levens droogt nooit op en wie wil kan drinken.

Alle vreugde en verrukkingen van de meest vrolijke jeugd is in de hemel het erfdeel van allen. In onze geluk­kigste dagen hier zijn wij nog aarden vaten. In onze beste momenten voelen wij grote vreugde en een bijna grijpbaar geluk, maar voordat wij het kunnen grijpen worden wij omlaag getrokken door de zwaartekracht; van het aardse.

Kinderen dansen en spelen. Zij lopen, huppelen en sprin­gen van vreugde. Ze zingen en jubelen. Soms schijnt hun vreugde en geluk volmaakt te zijn. "Dezulken behoort het Koninkrijk der hemelen. " Maar de meest uitgelaten vreug­den en de vreugdekreten van de gelukkigste jeugd op aar­de zullen overtroffen worden door grotere onbeschrij­felijke vreugde wanneer dit aards gebonden stoffelijke li­chaam vervangen is door het wezenlijke lichaam.

In het nieuwe Jeruzalem bevinden allen zich "in de lief­de", iedereen is "in de liefde" met iedereen. "In de liefde zijn" op aarde is niet te vergelijken met het "in-de-lief-de-zijn" in net land van heerlijkheid. Geen enkele twee­dracht, geen enkele onvolkomenheid, niet nčč liefdeloze gedachte zal het volmaakt "in-de-liefde-zijn" met allen verstoren.

Niettegenstaande de belemmering door deze stoffelijke tempel, klinkt er op aarde een lied in onze ziel. In naar strijd om zich te uiten schijnt zij soms voor nčč moment de boeien te verbreken, maar al spoedig klinkt het lied

- 90 -


niet meer volmaakt. Toen God de mens schiep, legde Hij muziek in zijn ziel. Maar de wanklanken van het aardse bedierven de harmonie. Het verloren akkoord zal pas in de hemel worden gevonden, wanneer wij ons in de tem­pel bevinden die van boven is. De mooiste, heerlijkste en meest volmaakte muziek hier op aarde is slechts een zoeken naar het verloren akkoord en de harmonie die de verlosten en de engelen in de hemel bezitten. "Vanaf de tijd dat de zonen van Adam harpen en fluiten begonnen te bespelen tot op de dag van vandaag, zijn de prachtig­ste muziekinstrumenten die op aarde zijn vervaardigd, slechts een nabootsing van de trompetten, harpen en in­strumenten in de gouden Stad, waarop de verloren ak­koorden zijn aangebracht en waarop de muziek in vol­maakte harmonie door de verloste zielen ten gehore kan worden gebracht.

Veel muziek en ritme, dat door de Vader in de zielen van Zijn kinderen werd gelegd, is door de duivel veran­derd in duistere kanalen voor vleselijke lusten. Vanaf de wilde dansen van de meest woeste barbaren in de ber­gen, tot op de op vermaak beluste, verhitte mensen in moderne dansclubs, danst men op het muzikale ritme van vleselijke genoegens, d. w. z. ter bevrediging van het vlees.

In de hemel dansen de verlosten en de engelen uit "vreugde" op heilige, reine muziek, dat al het aardse en natuurlijke "genieten" te boven gaat, op een ritme, waar­bij ook de sterren meedeinen en meezingen in hun baan.

In de stad ligt een park, een Eden, "een park van vreugde en vruchten". Hier waar het onechte vervangen is door het ware, wordt in al Gods scheppingen, of het nu dieren of planten zijn, niets gevonden dat kwaad of verderf veroorzaakt op gans Zijn heilige berg.

Op aarde hebben wij weinig zicht op de schoonheden in Gods schepping en wij begrijpen er nog veel minder van. Het stof der aarde heeft de vensters van onze ziel tot matglas gemaakt. Wij zien als door zo'n venster alles alleen maar onduidelijk. Wanneer God de bedekkingen weggeveegd heeft en de ogen van de ziel heeft geopend, zullen wij pas echt de heerlijkheid van de wonderbare

- 91 -

 

schepping van God kunnen zien en kunnen waarderen. Daar boven in Eden zullen wij tot dat alles in staat zijn.

Daar is een park, waar vogels van allerlei pluimage voortdurend zingen; daar is een land, waar ieders oor in staat is die melodieën te horen die het hart ontroeren. Daar is een land waar bloemen van allerlei kleur eeuwig bloeien. Daar is een land waar ieders oog deze bloemen in hun schoonheid kan zien. Daar is een land waar de geur van de roos van Saron en het lelietje der dalen zich vermengt met duizend geuren die onze wereld nooit heeft gekend.

Ondertussen lijkt het alsof wij het licht van de Stad achter de wolken zien, maar wij raken dit beeld kwijt, het vervaagt omdat ons zien zo onvolkomen is. Vaak lijkt het alsof wij de verrukkelijke muziek uit een andere sfeer horen, maar de klank gaat ten onder in de valse an­dere geluiden, die dichter bij ons staan. Vaak ervaren wij dat wij opgetrokken worden uit alles wat ons tot slaven maakt, maar de aantrekkingskracht van de aarde houdt onze voeten gevangen als blokken hout in aardse boeien. Menigmaal zou de ziel graag willen ontsnappen naar "het land, dat schoner is dan de dag", maar zij valt weer terug in vertwijfeling, omdat haar vleugels gebroken zijn.

Wie denkt dat hij in staat is om alleen naar de stad van de vrijheid te gaan, vindt de weg hopeloos versperd door de dingen van deze wereld, het vlees en de duivel, en bezit in zichzelf zelfs geen kracht om te overwinnen.

Maar er is een weg.

            Hoofdstuk 10      Index       Hoofdstuk  12