HOOFDSTUK    12

                                   

                                     DE   WEG

 

Er is maar èèn weg. Christus is de weg. Jezus zei: "Niemand komt tot de Vader dan door Mij. " Een mens is de weg niet, een mens kan nooit een weg bereiden, ook kent de mens de weg naar de gouden stad niet. De stad en de weg naar die stad zijn beiden openbaringen van boven.

Christus, die de weg is, is niet van de aarde. Hij is van boven. Hij is degene "die neerdaalde van de hemel, de Zoon des mensen, die in de hemel is", Hij is "de grote God, onze Verlosser Jezus Christus".

Mensen reizen niet naar de gelukkige stad van louter vreugde. Zij reizen in tegenovergestelde richting. Hoe lan­ger zij reizen, des te verder verwijderen zij zich van de­ze hemelse stad. Kinderen behoren tot het Rijk van God. Zij spelen en zingen aan de poorten van de stad. Wanneer zij zelfstandig beginnen te worden verwijderen zij zich altijd van de stad, weg van dit gelukkige Paradijs van Eden. Hoe verder zij wegtrekken en hoe verstandiger zij worden - of zij nu alleen gaan of met de grote massa mee - des te verder raken zij van de stad verwijderd, tot­dat het licht daarvan nog maar flauw te zien is of voor altijd verdwijnt. De enige manier om de stad te bereiken is: omkeren. "Als gij u niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorze­ker niet binnengaan. " (Matth. 18: 3). Maar hoe verder een mens alleen gaat, hoe ouder hij wordt, hoe rijker, hoe ver­standiger met zijn natuurlijke geest, hoe meer kruiswegen hij op zijn zelfgekozen weg passeert, des te moeilijker wordt het om te keren, totdat er tenslotte geen kruiswe­gen meer zijn waar hij zou kunnen omkeren naar het een­voudige geloven. Hij ziet geen mogelijkheid meer om "als een klein kind" te worden.

"De wereld kent door haar wijsheid God niet. " (1 Cor. 1: 21). Mensen zullen door te studeren God nooit vinden. De mens die op het werk van zijn eigen geest vertrouwt of op die van een ander, zal nooit de stad van God zien.

-    93-

Een mens die op de verdiensten van zijn karakter steunt, zal nooit op de gouden straten lopen. Wat een mens is, wat hij doet, hoe hij leeft, dat alles heeft niets te maken met zijn verlossing. Uitgaande van het beginsel hoe "goed" hij is, heeft de beste mens op aarde niet meer hoop op de hemel, dan de slechtste mens op aarde. Een mens die op zijn eigen karakter of zijn goede ont­wikkeling vertrouwt, is alleen maar een moderne Farizee­ër met blinde ogen voor de Waarheid. De tollenaar, de dronkaard, de hoereerder, zal de stad van God binnen­gaan, terwijl de "goede" mens uitgeworpen wordt in de buitenste duisternis, waar geween en tandengeknars zal zijn.

"Uit genade" worden wij gered, "niet uit werken". Red­ding is iets wat God doet. Het is niet iets wat de  mens is of niet is. Redding komt   van    boven. Redding   komt niet van de aarde, noch van binnenuit, noch door mensen.

Dat wat vanuit de aarde  geboren is, is vlees en door de wil van een mens. Zij, die   vanuit  de   aarde  geboren zijn, kunnen nog zo wijs of    goed    of   slecht    zijn, zij moeten van boven opnieuw   geboren   worden. Alleen   zij worden kinderen Gods, "die   niet   uit bloed, noch  uit  de wil van het vlees, noch uit   de  wil van een   mens, maar uit God geboren zijn. " (Joh. 1: 13). ''Tenzij iemand weder­om geboren wordt, kan hij    het     Koninkrijk    Gods    niet zien. " (Joh. 3: 3). Deze geboorte, die  ieder   moet   hebben ondergaan wil hij ooit God  zien, of de liederen wil zin­gen van de verlosten in de stad boven de wolken, is een bovennatuurlijke    geboorte. Het is alles van boven. Naar de kerk gaan, liederen     zingen, gebeden lezen of spreken, werken in de kerk of voor de kerk, pre­diken van de kansel, of zijn   lichaam    laten   verbranden, heeft absoluut niets te maken   met  de  nieuwe geboorte. De nieuwe geboorte is iets, wat   God   uit   genade   geeft zonder toedoen van werken.

Wanneer hij niet opnieuw geboren wordt heeft de bes­te spreker op de kansel, de trouwste kerkbezoeker, de meest belijdende Protestant, niet mèèr hoop op de hemel dan de grootste goddeloze zondaar.

- 94 -


Hoe men de weg naar huis vindt

De Heer was er zo bekommerd over dat ik toch maar terug zou komen, dat Hij de weg heel erg gemakkelijk en effen maakte. Ik was een zondaar, die alleen voor mijzelf leefde en niet tot eer van God. Ik ging mijn ei­gen weg. "Allen hebben gezondigd en derven de heerlijk­heid Gods. " (Rom. 3: 23). "Er is niemand die goed doet -ook niet èèn. " "Allen zijn zij afgeweken. " (Rom. 3: 11). Ik behoorde tot diegenen.

Jezus kwam van de hemel om "zondaren te redden", Hij kwam niet voor rechtvaardige mensen met een "goed" karakter. Voor mij was er geen uitkomst. Ik moest de straf voor mijn zonden dragen, maar Jezus had mij lief en stierf in mijn plaats. "Hij droeg zelf onze zonden in Zijn lichaam op het hout" (1 Petr. 2: 24). Christus stierf aan het kruis; Hij die zonder zonde was nam de plaats in van de zondaren. "Hij, die geen zonde kende", stierf voor mij aan het kruis, waar ik had moeten sterven. Ik, de zondige Barabbas, de zondaar, die straf verdiende, werd volkomen en onvoorwaardelijk vrij. "Hij, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde ge­maakt" (2 Cor. 5: 21). God heeft Jezus gestraft, daarom wil Hij mij niet straffen. Omdat Hij Jezus verliet, wil Hij mij niet verlaten. Alles wat ik nu moest doen was, dat ik een zondaar moest worden. Al­les wat ik moest doen was... niets te doen.

Ik geloofde gewoon dat Jezus het had ge­daan. "Wie in Mij gelooft heeft het eeuwige leven". (Joh. 6: 47). "Wie gelooft, is uit de dood overgegaan in het le­ven". (Joh. 5: 24). Zo velen Hem aannamen, "die heeft Hij macht gegeven om kinderen van God te worden". (Joh. 1: 12)

Toen ik geloofde, dat Jezus deed wat Hij zei, en toen ik Hem aannam als mijn Plaatsvervanger en als Degene die mijn zonden droeg, nam Hij mij aan als Zijn kind. Hij zond Zijn Heilige Geest in mijn hart, zodat ik van boven af geboren werd. De Heilige Geest legde in mijn hart getuigenis af, zodat ik riep: "Abba, lieve Vader".

Voorheen was ik het die  gewerkt had. Nu  werkt  God

- 95 -

 

het willen en werken in Mij. Wat ik vroeger liefhad, haat ik nu, en wat ik eens haatte, heb ik nu lief. Hoe meer ik probeerde goed te zijn, des te erger werd het. Hoe meer ik geloof dat God in mij en voor mij werkt, des te beter is het.

De Heer heeft mij het licht van de hemelse stad ge­toond. "Ik weet in Wie ik geloof, er ik ben er zeker van dat Hij bij machte is, mijn pand dat bij Hem is wegge­legd voor mij te bewaren tot die dag" (2 Tim. 1: 12). Ik zal vast en zeker door de poorten de stad binnengaan en de blijdschap delen met hen, die overwonnen hebben door eenvoudig te geloven in het bloed van het Lam.

Christus bewerkte een volkomen verlossing. Hij stierf voor de zonden van de hele wereld. Eeuwig leven is een "geschenk". "De genadegift van God is het eeuwige le­ven" (Rom. 6: 23). Deze gift is vrij. Het ligt aan ons die aan te nemen of te verwerpen, die op te nemen of te la­ten liggen. Wij moeten kiezen tot welke van de twee ro­vers op het kruis wij willen behoren: of wij geloven dat JezusGod is en een zondaar kan redden die tot inzicht gekomen is en de eeuwigheid met Christus in het Para­dijs doorbrengen; of wij zijn zoals de andere rover en geloven niet dat Jezus God is en sterven in onze onbele-den en niet vergeven zonden, ver van God.

Christus redt ieder en allen door hun geloof. "Wie in Hem gelooft gaat niet verloren, maar zal eeuwig leven hebben" (Joh. 3: 16). Zij die geloven en aldus worden gered, worden door Christus behouden. Zij dragen de Rots niet, maar de Rots draagt hen. Zij zijn gered door geloof en niet door de werken. "Dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof. Wie is het die de wereld overwint, dan wie gelooft, dat Jezus de Zoon van God is ?" (1 Joh. 5: 4-5).

Die door genade gered en bewaard worden, leiden een leven als volgelingen van de Heer. Zij doen werken van gerechtigheid en komen hun godsdienstige verplichtingen na, niet om daardoor gered te worden, maar omdat zij al gered zijn. De werken die zij doen die van waarde zijn, komen tot stand door hetgeen God van boven in hen heeft gewerkt.

Zij die gered zijn "hebben   deel aan  de  Goddelijke na tuur"

- 96 -


 (2 Petr. 1: 4). Alle kinderen van God hebben de Heili­ge Geest In hun lichamen en harten en zijn opnieuw geboren. "Zo leeft niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij" (Gal 2: 20) "Want God is het, die om Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt"

Zij die gered zijn zijn burgers van net hemelrijk; zij hebben de wereld niet lief, noch dat wat in de wereld is. Zij hebben zoveel "hemels leven" in zich als zij Heilige Geest bezitten. De Heilige Geest is hemels leven, leven uit God, eeuwig leven. Wij hebben de "Eersteling", of wel de eerste hemelse rechten.

Door de diepere ervaringen van de Heilige Geest wordt de hemel een grotere realiteit dan de aarde, zodat het kind van God vaak door zien zowel als door geloof zijn pelgrimsreis aflegt naar de stad, het hemelse Jeruza­lem, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.

Onze boodschap uit Adullam is ten einde. Wij hebben dit getuigenis gegeven, niet omdat wij op natuurlijke wij­ze tot groter inzicht kwamen, maar vanwege datgene wat onder ons gebeurde "toen God zich openbaarde door de Geest" (1 Cor. 2: 10).

- 97 -


Het beste wat wij beleefden kunnen wij niet op schrift stellen. Het beste wat men kan meemaken moet ieder zelf door openbaringen van de Heilige Geest ervaren. Wij zouden graag meer willen schrijven, maar wij kunnen het nu niet. Maar wat wij geschreven hebben is gedaan met de bedoeling, dat u geloof en leven zou mogen hebben in Zijn Naam. Of, wanneer u leven hebt, dat u bemoedigd wordt, en er naar zult jagen om tot een overvloediger leven te komen, het leven door doop en vervulling van de Heilige Geest, het leven dat God voor al Zijn kinderen Bedoeld heeft, de voorsmaak van en het vooruitzicht op de grote Stad van de Koning, de Stad waar alles nieuw gemaakt is.

       

                                Hoofdstuk  11       Index